Huis Empe

Groot herenhuis met koetshuis, bouwjaar 1550, rijksmonument. Huis Empe was onderdeel van Hof te Empe met meerdere hoeven en visgebieden. ’t Huis Empe, zoals het er nu uitziet, is in vier stadia gebouwd. Dat is vooral goed te zien aan de achterzijde. Eerst het linkerdeel met de bordestrap (rond 1825), toen het deel met de terugspringende gevel (rond 1850), daarna de westvleugel met toren (rond 1900) en als laatste het bedienden huis aan de rechterzijde (rond 1930). Al rond 1900 werd er stromend water aangelegd in het hele huis, een eigen stroomvoorziening en een centrale verwarming. Het bedienden huis heeft een afwijkende bouwstijl. Dit is te zien aan de dakgoot en de kozijnen. In 1985 is Huis Empe met het koetshuis verdeeld in zes appartementen. Ook is er toen een stichting opgericht, die zorgt voor het voortbestaan van het eeuwenoude huis en tuin. De huidige bewoners wonen er met veel plezier. De buitenste paden van de parktuin van het grote huis zijn opengesteld voor publiek. Wandelaars lopen dan een eind tussen de privétuin en het moeras van een oude arm van de IJssel. Ook het bos achter het koetshuis is opengesteld. De wandelaar mag natuurlijk niet de privétuin betreden, dus houd de bordjes ‘privé’ in de gaten.

‘t Huis Empe wordt twee en halve eeuw bewoond door familie Van Hasselt (1714-1983). Rond 1760 plant Willem Hendrik van Hasselt 3.000 moerbeibomen om zijderupsen te voeden en om zijde te weven. In de lente komen de eitjes van de zijderups uit, tegelijk met het verschijnen van de blaadjes aan de moerbeiboom. Na een maand van onophoudelijk eten zijn de rupsen zo’n 10.000 keer zo groot. Als de rups vervolgens drie keer is verveld, dan begint hij met het spinnen van zijn cocon. Doordat de rups tijdens het spinnen zomaar 300.000 keer met zijn kop draait, wordt de cocon waterdicht. Hier neemt de mens het over. Hij weekt de draden van de cocon los in water en draait ze tot strengen. En uit de strengen weeft hij de zijde. Willem Hendrik van Hasselt importeert eitjes van rupsen van de zijdevlinder. Met een continue temperatuur en veel toewijding weet hij zijde te winnen met een goede glans, sterkte en zuiverheid. De productie van zijde is geëindigd, omdat Van Hasselt in 1781 verhuisde naar Amerika. De zijdeteelt werd wel opgepakt maar bleek een tijdelijk succes. Er zijn nog twee eeuwenoude moerbeibomen bewaard gebleven in de tuin. Eentje vlak achter het gereedschappenhuis bij de moestuin. En eentje ook in de achtertuin, geënt op een hoge stam. In de zomer zie je de moerbeien in de boom.

Hierna wordt ’t Huis Empe bewoond door spoorwegkoning Robbert van Hasselt (1839-1908), zijn vrouw Aleida van Houwink en hun kinderen. Het huis fungeerde in eerste instantie als zomerresidentie. Robbert van Hasselt ging in de zomer dagelijks met de trein naar Amsterdam. ’s Middags bleef in Amsterdam zijn trein wachten tot Van Hasselt was gearriveerd vanaf het nabijgelegen Administratiegebouw van de H.IJ.S.M. Die trein werd wel de Van Hasselt Express genoemd. In de winter woonde het gezin aan de Keizersgracht in Amsterdam. Later werd Huize Empe hun enige woning. Aleida bleef er de vrouw des Huizes tot zij overleed in 1929. In 1925 deed de auto zijn intrede op Empe: een Citroën Cabriolet met een leren dak, dat geheel kon worden neergelaten. Koetsier Hendrik Berendsen en dochter Margot kregen autorijles van een monteur van de autofirma. Benzine tanken deed je thuis vanuit een fust benzine. De auto werd alleen gebruikt voor langere tochten, Aleida van Hasselt werd toch het liefste vervoerd per rijtuig, getrokken door een paard. De rijtuigen die in het koetshuis stonden waren een landouwer, een victoria, een coupé, een brik, een spider en een camion. Huisknecht en later koetsier Hendrik Berendsen (1892-1983) vertelt over de grote verbouwing van het huis Empe in 1906. De oude heer liet het huis gerieflijker inrichten. Er kwam een ruime bibliotheek met parketvloer, boekenkasten en een mooie schouw. Boven werden slaapkamers bijgebouwd met een doorlopend balkon. Verder kwam er een hoektoren met bovenin een groot waterreservoir voor de watervoorziening door het hele huis. Onderin een kleine machinekamer, waar de motor met dynamo werd geplaatst voor opwekking van elektrische stroom voor de verlichting van het huis, voor die tijd erg modern. Verderop in het grote souterrain kwam een accumulatorenbatterij van 36 elementen voor bewaring van de stroom. En een ketel voor de centrale verwarming. “Ik voelde mij een hele Piet als ik de motor aanzette en het mooie marmeren schakelbord met al zijn handels en knoppen bediende.” In 1921 werd de streek aangesloten op het lichtnet van P.G.E.M. en was het gedaan met het eigen fabriekje. Hendrik vertelt ook over de leegte die de oude mevrouw achterliet na haar dood in 1929. Ze was een stipte, goede en nobele dame. Alles moest op tijd gebeuren, ontbijt, koffietafel, diner, aldus Hendrik. Een logé die wel eens iets te laat verscheen kreeg dat best te horen. In een zeer warme zomer, in een week dat er niemand te logeren was, zat mevrouw alleen aan tafel. Er moest evengoed gediend worden in livrei. Ik had een hekel aan die warme lakense jas en had de treurige moed om in een werkjasje te verschijnen. Ik kreeg een flink standje en moest in vol ornaat weer verschijnen. Ze lachte toen vrolijk en zei in haar Friese tongval: Ziezo, nou zien jou d’r weer netjes uit.

Bezoek adres: Voorsterweg 168, 7399 AA Empe

Routes Visit Brummen Eerbeek