Schouten, Jonkheren, Graven en Baronnen

Brummen: Historie in landgoederen

Schouten, Jonkheren, Graven en BaronnenTussen 1600 en 1900 bouwden gefortuneerde stedelingen hun buitenplaatsen in het landelijk gebied op gepaste afstand van de stad. Zo konden ze in de zomer ontkomen aan de drukke stad, met dreigende epidemieën en vervuilde, stinkende grachten.

Wie geld had, trok met butler, koetsier, kamermeisje en kokkin naar ‘buiten’. Met bagage voor de hele zomer reisde men de stad uit. Gebieden langs de IJssel waren extra aantrekkelijk: veel ruimte, bereikbaar over water en met de Veluwse jachtgebieden om de hoek.

Een buitenplaats is een monumentaal huis, vaak met bijgebouwen als stallen, koetshuizen en oranjerieën. Het huis vormt een aantrekkelijk, zo niet artistiek geheel met de tuin of het park er omheen. Buiten was bedoeld om te genieten. Bewoners hielden zich bezig met poëzie, muziek, tuinieren en beeldende kunst. Dit leefpatroon herhaalde zich ieder jaar, eeuwenlang. Het met handel verdiende geld was voldoende om de buitenplaats draaiende te houden.

Bij landgoederen was dat wel anders. Hier waren pachtopbrengsten, veeteelt, land- en bosbouw essentieel voor de instandhouding. Men was er het jaar rond dagelijks druk mee. Vaak bekleedden de eigenaren lokale politieke en sociale taken. Voor de plaatselijke werkgelegenheid waren deze landgoederen van groot belang. Sommige van de oudste bewoners uit Brummen en Eerbeek kunnen er nog uit eigen ervaring over vertellen.

Meer informatie: